Uitwinningsvergoeding voor handelsvertegenwoordiger na stopzetting

Een werkneemster die als commercieel vertegenwoordiger werkte, had volgens het arbeidshof recht op een uitwinningsvergoeding na de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Die beëindiging vond plaats in een context waarin de werkgever activiteiten overdroeg en stopzette.

Overdracht van activiteiten en beëindiging

De werkneemster trad op 1 augustus 2019 in dienst als Key Account Manager bij een vennootschap die actief was in vastgoedadvertenties. Volgens de partijen kon haar activiteit als handelsvertegenwoordiging worden gekwalificeerd.

In mei 2023 droeg de werkgever de exploitatie van de website over aan een derde en stopte hij eveneens met de papieren magazines. Op 15 mei 2023 werd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd, met als motivering “cessation des activités”.

Voorwaarden voor de vergoeding

Het hof herinnerde eraan dat artikel 101 van de Arbeidsovereenkomstenwet een uitwinningsvergoeding toekent aan de handelsvertegenwoordiger wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De werkgever kan volgens die bepaling aantonen dat uit de beëindiging geen nadeel voortvloeit.

Het hof stelde vast dat de werkneemster langer dan een jaar als handelsvertegenwoordiger werkzaam was, cliënteel had aangebracht en bij de beëindiging nog steeds die hoedanigheid had. De werkgever beweerde dat zij op dat ogenblik geen vertegenwoordiger meer was en dat het nadeel niet uit de beëindiging zelf voortvloeide.

Volgens het hof bewees de werkgever echter niet dat de overdracht en de stopzetting reeds vóór de beëindiging volledig waren uitgevoerd.

Uitwinningsvergoeding toegekend

Het arbeidshof vernietigde het eerdere vonnis gedeeltelijk en kende de werkneemster een uitwinningsvergoeding toe van 20.224,56 euro bruto, vermeerderd met wettelijke interesten vanaf 15 mei 2023. De werkgever werd eveneens veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen.

Het arrest benadrukt het causale verband tussen de contractbeëindiging en het verlies van het door de vertegenwoordiger opgebouwde cliënteel. De enkele stelling dat het cliënteel al was overgedragen of dat de activiteit was stopgezet, volstond in deze zaak niet zonder voldoende bewijs.